< Kranten: onnauwkeurige secondewijzers van de geschiedenis > E-mail: Julia Winter
| | Han Mulder dinsdag 30 juni 2009 Als je in deze weken in het Haagse Perscentrum Nieuwspoort in de sociëteit komt of door de gangen wandelt, zie je rijen voorpagina’s uit alle windstreken. Keurig ingelijst. Veilig achter glas. Eigenaardig dus een beetje. Want kranten horen natuurlijk niet achter glas. Je hoort ze in je handen te hebben. Er bestaan fysieke sensaties. Ieder mens weet er spontaan een heleboel op te noemen. Hoog op míjn lijst van die sensaties staat een verse krant. Nog niet beduimeld. Licht geparfumeerd door een vleug van drukinkt. Hebt u ooit een mens aan het scherm van zijn laptop zien ruiken? Nee toch zeker. De kranten zijn de secondewijzer van de geschiedenis. Dat is een mooie zin. Ik heb hem niet zelf bedacht maar de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer. Hij leefde in de 19de eeuw, toen de kranten nog het alleenrecht hadden om de nieuwsgierigheid te bevredigen naar al wat gebeurde voorbij het eigen erf. De torenklok van het dorp gaf de hoogsteigen tijd aan. De toren in het eerstvolgende dorp liep alweer een kwartier voor of een kwartier achter want ieder dorp had zijn eigen tijd. Maar de wereld was er ook nog waar de geschiedenis het nooit eindigende drama van de mensheid in uren, dagen, maanden, jaren schreef. En de krant dat drama dan weer koortsig seconde na seconde verpakte. Zo zijn we weer terug bij Schopenhauer. Zullen er een paar generaties verder nog kranten bestaan? Of bekijken de mensen dan onze kranten zoals wijzelf naar kleitabletten kijken uit het oude Mesopotamië? Wordt, met andere woorden, de studie van de krant een specialisme binnen de archeologie? In Den Haag verschenen nog maar vier decennia geleden zes kranten. Een titel als “Het Vaderland” genoot heel zijn bestaan groot gezag. Menno ter Braak schreef er zijn kritische en steeds bezorgder beschouwingen over fascisme en steeds tastbaarder oorlogsdreiging. De Haagsche Courant had 180 duizend abonnees en viel huis aan huis door de brievenbus. Het Haags Dagblad schreef ooit een burgemeester weg met een omstreden oorlogsverleden. Voorbij, voorbij en o, voorgoed voorbij, zegt de dichter Jacques Bloem. Er is geen enkele zelfstandige Haagse krant over. Slechts een derivaat van wat er ver weg, in Rotterdam helemaal is gemaakt, bleef er over. Op feestformaat en licht verteerbaar. Met veel voetballers in het groen en gele ADO-shirt, voetballers die ook al van heinde en verre komen. Soapsterretjes die columns schrijven. En natuurlijk huis aan huis de Posthoorn met geregeld de gemeente Den Haag als adverteerder in het middenkatern met mededelingen, vermaningen en waarschuwingen voor de jongste dag. Krantenjournalist is bezig een verdwijnend ambacht te worden, net zoals de opsteker van de gaslantaarns toen de elektriciteit het heft in handen nam. Straks zie je in het Openluchtmuseum misschien nog een krantenjournalist aan het werk naast de plaggenhut met een klompenmaker. Neem de portrettengalerij van nieuwe poorters Elk nieuw kwartaal in NieuwspoortForum, het orgaan van het internationaal perscentrum vertoont als novice alweer een groter cohort aan communicatieadviseurs, lobbyisten en wethouders uit de provincie. Als er nog twee of drie dagbladjournalisten tussenzitten mogen we gerust van een vruchtbaar kwartaal spreken. Maar dan nu naar Julia Winter, de Russische kunstenares die verantwoordelijk is voor al die kranten achter glas in Nieuwspoort. Julia Winter is een van die niet genoeg te koesteren kunstenaars die de unieke symbiose tussen krant en kunst hebben herkend. Ze heeft met die symbiose iets vrij unieks gedaan. En hoe! Julia Winter blijkt de choreografe van een uitdagende pas-de-deux tussen tot vergelen en verbrokkelen veroordeeld krantenpapier en de artistieke verbeelding. Het tettert van de wanden hier in Nieuwspoort. Vaak heel heftig. Met spiegeltjes, wasknijpers, gordijntjes, een stethoscoop, gaat Winter de confrontatie aan met de krant. Zij schuwt de verwarring daarbij in het geheel niet. Als ze de voorpagina van het Financieele Dagblad optuigt met een schaakbord, legt ze dat bord verkeerd, met een wit veld links onderin, terwijl toch het eerste wat de beginnende schaker leert, is dat dat veld zwart moet zijn. Een secondewijzer met het verkeerde been. Maar het is uiteindelijk die krant, die voorpagina, die het verhaal vertelt. In hun presentatie zijn die voorpagina’s dan weer een bloemlezing uit de hedendaagse geschiedenis. Misschien best een idee voor dat moeizaam verrijzende Nationale Historische Museum. Voorpagina’s getuigen van de tijd waarin zij verschijnen en er is ook nog betrekkelijk goedkoop aan te komen. Maar de mannen in Arnhem moeten dan wel snelheid maken met hun museum, want straks is er geen krant meer over. En de Nederlandse samenleving beschikt niet meet over de Babylonische techniek van kleitabletten maken om in deze leemte te voorzien. Het is niet de eerste keer dat de krant verschijnt in de moderne kunst. De Spaanse kubist Juan Gris legde in 1914 schilderde een exemplaar van de krant Le Socialiste op een tafeltje en dat werd één van zijn beroemdste schilderijen. In Nederland is Piet Ouborg een bekend voorbeeld met zijn frequente toepassingen van krantenpapier. Maar Julia Winter beperkt de krant niet tot een belangrijke bijrol maar maakt hem de hoofdpersoon van het stuk. Ik gebruik niet toevallig deze beeldspraak uit het theater: Julia’s krantenkunst levert inderdaad drama. Slechtigheid, leugenachtigheid, manipulatie, zij weet er wat de media betreft, alles van. ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’, met dank aan Martinus Nijhoff. Haar Russische achtergrond zal Julia Winter geholpen hebben bij haar grote krantenproject. Kijk hier op de tentoonstelling naar de onheilspellende voorpagina van de Sovjetskaja Sojuz, met over alle kolommen het korrelige konterfeitsel van Lenin, een evocatie uit de grijze jaren vijftig. Nieuwspoort en Den Haag mogen zich gelukkig prijzen met Omringd door de pers. Hier wordt getuigenis afgelegd van de krant als cultuurproduct. Een cultuurproduct dat niet intrinsiek goed is. De krant is namelijk tot alles in staat. For better or for worse, of hoe zeg je zoiets in het Russisch. Deze tentoonstelling hoort een doorstart te krijgen in het Persmuseum in Amsterdam. Ze verdient een lage drempel, lager in elk geval dan de vrij hoge van Nieuwspoort. Nog even Schopenhauer. De kranten zijn de secondewijzers van de geschiedenis, zei die dus. Maar Schopenhauer liep hierop een zin volgen die wat minder wordt geciteerd, namelijk ‘ze (de kranten dus) zijn echter niet alleen meestal van onedeler metaal dan de echte secondewijzers, maar ze lopen ook slechts zelden goed.’ Ik zet die zin er voor de volledigheid bij, maar daardoor moeten de krantenmakers niet van slag raken. Schopenhauer, die oude mopperaar uit Frankfurt zei wel eens meer wat: ‘Er is geen vrouw die deugt’, bijvoorbeeld. Niets van aantrekken dus.
| |