woensdag 22 februari 2012

< de Coninck >


  E-mail:  Julia Winter                                                               

Een raadselachtige constructie
 
over het werk van Julia Winter


"Zo wordt in mijn wondermooie
nacht mijn hart in twee gezaagd"
Marina Tsvetajeva
                                                              


Julia Winter (Moskou, 1965) construeert beelden. In haar werk komen samen dat wat ze zoekt en dat wat ze vindt, wat ze weet en voelt en daarom ziet. En wat een mens voelt en denkt gaat meestal verder dan wat wij het liefst zouden zien. De schoonheid, het kwetsbare, wordt door haar tegelijk verbeeld en aangetast. Kennelijk geen schoonheid zonder verwonding.

De beelden die ze construeert zijn op het eerste oog een verbinding van werelden die elkaar vreemd zijn. Alsof het absurde en het nooit gedachte elkaar vinden. Wat heeft het miniatuurbeeld van een potente stier met de oude foto van een anonieme Russische soldaat te maken? Waarom treft een veel te grote zaag het kleine beeldje van een Venus, een beeld dat toch al geen armen meer heeft? En waarom trouwens ligt er dan aan haar voeten een rood pluchen bolletje? Een antiek ovalen portret, ingelijst en al, en daaroverheen een namaak vrouwenhand die aan een touwtje bungelt? Een foto van een, wederom, anonieme soldaat, door de kunstenaar heel licht overgeschilderd alsof de nevel van de tijd ons een geheim wil verbergen; waarom staat er voor die eenzame kop een houten driepotige kruk dat een wit koffiekopje draagt? En om het raadsel nog groter te maken: waarom in hemelsnaam is het portret aan de onderkant afgezet met de Nederlandse tekst "zuurstof"?

Het raadsel. Het is misschien wel de meest intrigerende eigenschap van kunst, van welke soort dan ook, om uiteindelijk altijd iets te raden te geven, en daarmee ook iets te dromen. Kunst geeft nooit alle geheimen prijs, eenvoudigweg omdat het ook niet de taak van de kunstenaar is om raadsels op te lossen. Daar zijn wetenschappers voor. Het is bij uitstek de taak van de kunst om vragen te stellen, veel meer dan om ze te beantwoorden. Het werk van Julia Winter stelt de beschouwer altijd voor een raadsel. Terwijl haar werk in eerste instantie zo concreet en grijpbaar lijkt. Een vrouwenbuste van steen, het beeld hangt aan de wand met een lange, rode sjaal die een keer extra om de hals gedrapeerd is. Dat lijkt een eenvoudige mise-en-scène, maar wat doet dat sierlijke rode vogeltje met de zwart gevlekte vleugels en staart daar dan, heel alleen tegen de muur ter hoogte van het oog van de stenen vrouw? Het geheel doet een uitgesproken appèl aan de vrouwelijke schoonheid, van het vogeltje kun je nauwelijks aannemen dat het van het mannelijke geslacht is. Ook het rood van de sjaal is een vrouwelijk soort rood. Het rood roept de associatie op met gloed of met bloed, met vuur of met pijn; hoe dan ook, er is in zekere zin ook sprake van verlies, van aantasting. Door wie of wat, wie zal het zeggen. Het werk zegt het in ieder geval niet. Dat biedt alleen maar de beelden aan die het ons mogelijk maken te associëren en verbindingen te leggen met symbolische betekenissen die in de cultuur van het oude Europa opgeslagen liggen. Julia Winter reikt ons schoonheid en aantasting, en spreekt zich niet uit over de finale oorzaak. Ze appelleert veel meer aan emotie en de oneindige verbeelding dan aan de rationaliteit die alles in een syteem wil klemmen. Maar de verbeelding laat zich niet onderwerpen. Om aan die verwurging van het syteem te ontkomen, toont ze de dingen altijd maar half.

                                                                    


Ons controlerend oog en onze behoefte aan kennis en verklaring krijgen er nooit helemaal greep op. Een foto heeft een half transparante laag over zich heen gekregen, waardoor directe herkenning niet meer mogelijk is. Als we dat al zouden willen. Bustes zijn half afgwend of hebben de kop enigszins verscholen achter een voorwerp. Julia Winter toont en verbergt, en roept juist door die tegengestelde handelingen een veel groter nieuwsgierigheid op. Wat half verborgen is, wil juist des te sterker gezien worden.

Het werk van Julia Winter raakt in die raadselachtigheid aan de muziek van Dimitri Sjostakovitsj, dé componist van de Russische twintigste eeuw en altijd omstreden. Was zijn vijfde symfonie, voor het eerst uitgevoerd in 1937 in Leningrad, nu een handreiking aan het steeds moordender regime van Stalin (zoals de partij wilde doen geloven) of hadden de luisteraars het beter begrepen toen ze na afloop van die eerste uitvoering een uur lang applaudisseerden? De apparatsjik zagen in de geordende structuur van de symfonie een bevestiging van het concrete realisme dat ze aan de Sowjetkunst als eis stelden, de luisteraars waren getroffen door de bedachtzaamheid en de onderhuidse spanning van de muziek, zo typisch voor Sjostakovitsj. Ze hadden iets gehoord wat aan het systeem voorbijging, iets wat hun ziel raakte. Het is muziek die een traan naar de ogen lokt, een traan die nooit helemaal verklaarbaar is. Net zoals Julia Winter kunst wil maken, krachtig, trefzeker, precies, maar onverklaarbaar.

De dubbelheid die het werk van Julia Winter kenmerkt, is van eenzelfde soort als die we tegenkomen in 'De meester en Margarita', de roman van Michail Boelgakov. Er verschijnt een raadselachtige gestalte in de straten van Moskou, ergens tussen 1925 en 1940. Er gebeuren vreemde dingen, zonder dat iemand precies de oorzaken kan aanwijzen. Iedereen meent de dader te kennen, maar niemand weet waar die is. Het kwaad is onder ons, de Moskovieten in dit geval, maar tegelijk blijft het onzichtbaar. De hoofdpersoon, dat zijn we allemaal, en de duivel, die is overal, ook als we hem niet zien. We worden bedreigd maar niemand weet uit welke hoek het gevaar komt. Verwarring, onrust, angst, hopeloosheid, paniek, dat is wat de mensen treft. Wat blijft is het raadsel.

Julia Winter reikt ons beelden aan, opgebouwd uit objets trouvés, veelal afgedankte voorwerpen die ze op haar weg in de stad tegenkomt. Maar niet zo maar. Ze vindt omdat ze iets zoekt, zonder dat ze precies weet wat. Altijd heeft het iets met schoonheid te maken, met weemoed om wat verloren is, met verwachting van wat nog komt. En niet te vergeten met pijn om wat gewond is. De ziel, haar ziel, onze ziel, is geschonden. In de montage en compositie van een wereld die uit herkenbare delen bestaat, maar een nieuw verhaal vertelt, vindt ze een bezwering van de pijn. De schoonheid die, hoe aangetast ook, toch altijd weer troost.


Frits de Coninck
Amsterdam
October 2005
Julia Winter   |   Press Photo   |   Articles   |   YouTube   |   Exhibitions   |   Books   |   Contact
Copyright by M.R. Fridael